left-2.jpg
right-1.jpg

Informatie bij historisch carrousel

De Rijn- en Veenstreek is een door de mens gemaakt landschap
- hoe de mens ons karakteristiek veenweidelandschap schiep.

In het historische carrousel zie je hoe de mens door de eeuwen heen aan de slag ging om onze streek naar zijn hand te zetten. Om er te kunnen wonen, warm te blijven, te werken én om er te kunnen overleven.


Na de ijstijd is het niet pluis in onze streek. De natuur heeft het hier aan het begin van onze jaartelling volledig voor het zeggen. Een grillige landschap met hoogveenwallen, veenriviertjes, oeverwallen die als een soort natuurlijke dijken fungeerden en daarachter uitgestrekte veenmoerasbossen.
Om je een idee van dat landschap te geven. Wanneer je over het pad langs de Kromme Aar in het heemgebied van Park Zegersloot krijg je enigszins een indruk van hoe het er hier toen uitgezien moet hebben.

IMG_7749.jpg

Dit is geen plek voor watjes. In die tijd woont hier bijna niemand. Onze streek is gevaarlijk, ontoegankelijk en ruig. Vogels, insecten, vissen en herten zijn de bewoners.
Het zeer bescheiden aantal mensen leeft bij elkaar in kleine woongemeenschappen. Tot de 10 eeuw wonen de mensen op de stevige oeverwallen langs de rivieren. Ze gebruiken die wallen ook als looppaadjes. Alleen via de oeverwallen of met boomkanos over water via de veenriviertjes als de Aar en de Meije kun je je enigszins veilig door het moeras verplaatsen. Deze mensen stammen af van de Germanen, een volk dat in Noord Europa woont. Ze leven van eieren van vogels, vangen vissen en jagen op klein wild. De Caninefaten worden de eerste grotere groep bewoners van Rijn- en Veenstreek. Hun naam betekent: lookmeesters. Look is de naam voor groenten als prei, knoflook en uien, die ze bij hun huizen beginnen te verbouwen. Ze wonen in ‘boerderijtjes’, gebouwd met houten palen, wanden van een vlechtwerk van takken opgevuld met klei en stro. Het dak was van riet of stro.

IMG_7612.jpg

In Archeon is een deel aan het leven in de prehistorie gewijd.
In het Archeologiemuseum ontdek je wat we uit de opgravingen uit die tijd leerden en in het park kun je zien hoe de Caninefaten in onze streek woonden en leefden.
Lees verder bij: https://www.archeon.nl/nl/prehistorie.html

 

 

Paneel 1.  Romeinen blijven weg uit het moeras.

Ze breiden hun rijk wel steeds maar verder uit. Rond het begin van onze jaartelling arriveren ook hier de Romeinse legers. Verder noordelijk dan de Rijn wagen ze zich niet: te gevaarlijk met al dat moeras!  Rijn en Donau, gaan vanaf ongeveer 57 voor Christus de noordgrens vormen van het Romeinse Rijk. Deze grens heet in het Latijn: Limes.

De Limes loopt van de monding van de Rijn bij Katwijk via Alphen aan den Rijn, Woerden, Utrecht en Nijmegen tot in Duitsland.
De Oude Rijn is hier bij ons in die tijd de hoofdstroom. De zuidkant van de rivier is prima geschikt om er een verdedigingslinie aan te leggen. Het verdedigingsplan van de Romeinen bestaat uit de bouw van een reeks forten (castella) en wachttorens langs de Limes. De plaatselijke bevolking heeft vast en zeker moeten meehelpen bij het kappen van bomen en struiken, het per boot vervoeren van hout en het graven van greppels. De Romeinen leggen ook een weg aan, op de stevige rivieroever. Zo’n Romeinse ‘heirweg’ verbindt de castella en de wachttorens met elkaar. De legers kunnen snel van het ene naar het andere fort marcheren. Langs de Rijn zijn opvallend veel castella gebouwd: een kleine twintig! Bij ons in de buurt lagen er zes: Albanianae (Alphen aan den Rijn), Nigrum Pullum (Zwammerdam), (Bodegraven) Matilo (Roomburg, bij Leiden), Praetorium Agrippinae (Valkenburg), Lugdunum (Katwijk)

Schermafbeelding_2020-03-02_om_16.20.25.jpg

De Romeinen bouwden een fort op de plek waar nu het centrum van Alphen is, tussen de Rijn en het veel later aangelegde omloopkanaal. Albanianae is de Latijnse uitdrukking voor ‘in witte grond’. Dit kan erop wijzen dat het water van de rivier de Aar, die aan de overzijde in de Rijn uitmondt, een afwijkende witte kleur heeft gehad. Het castellum is rond 40 na Christus opgezet als kamp voor hulptroepen van het Romeinse leger. Tijdens de opstand van de Bataven, gesteund door de Caninefaten, in 67 na Christus, is het castellum vernield, maar daarna weer herbouwd. Aan het eind van de 1e eeuw na Christus is er aan de Rijnzijde een houten kademuur gekomen. Later is die vervangen door een stenen muur. Rond 270 na Christus hebben de Romeinen het fort verlaten en begon het verval. We zijn aardig wat te weten gekomen over Albanianae tijdens de opgravingen in het centrum, in 2001, toen het stadshart werd vernieuwd. Er zijn resten gevonden van een graanopslag, een werkplaats en waterputten. En prachtige vondsten, zoals 700 munten, een spiegel en een houten deur.

In Archeon is heel veel uit de Romeinse tijd te beleven en te zien, ook wat er in onze streek aan Romeinse vondsten is gedaan. In het park zijn levensechte replicas van Romeinse gebouwen en het meemaken van een gladiatorengevecht in de arena is zeker zo spannend.

Lees verder: https://www.archeon.nl/nl/romeinse_tijd.html

 

Castellum Nigrum Pullum: dit castellum is in dezelfde periode gebouwd als Albanianae. Het lag bij Zwammerdam. De naam verwijst naar de donkere veengrond die hier dan overal te zien is. In het castellum hebben ongeveer 300 mensen gewoond en gewerkt. Buiten het complex ligt een dorpje met een kleine tempel en een bescheiden badhuis. Net als Albanianae is het fort verwoest bij de opstand in 67 na Christus, maar al snel weer hersteld. Nigrum Pullum heeft een kademuur van hout die regelmatig hersteld of herbouwd moet worden met hout uit de omgeving. In 175 na Christus is het houten fort door een stenen castellum vervangen. Honderd jaar later wordt dit door brand verwoest en nooit meer herbouwd: het Romeinse leger vertrekt naar het zuiden. Bij Nigrum Pullum zijn ook de beroemde Zwammerdam schepen gevonden die nu op de werf in Archeon gerestaureerd worden.

Nigrum Pullum ligt op het landgoed van zorginstelling Ipse de Bruggen. Naast het opgravingsveld met restanten van de door de Romeinen gebouwde muren, vind je in Grand Cafe de Haven een kleine museumopstelling.

Lees verder: https://nigrumpullum.nl/

 

 

 Paneel 2. Duizenden kilometers sloot gegraven.
- de grote ontginning vanaf de elfde eeuw

Tot de vroege middeleeuwen bleef de menselijke invloed op het landschap beperkt tot houtkap van bomen als eiken en essen op de oeverwallen. Het Rijnland heette in het Oudnederlands ‘Holtland’ of ‘Houtland’. In 1101 krijgt Floris II de toevoeging 'Graaf van Holland'. Bevolkingsgroei maakte het ontginnen van het tot dan onontgonnen veenmoerasbos noodzakelijk. Hout langs de oevers was gekapt en er was meer ruimte nodig voor akkers en veeteelt.

DSC09651.jpg

 

 

DSC09650.jpg

In ons bodemeiland kun je zien hoe veen en een moeras zich ontwikkelt. Een veenmoeras lijkt op een grote spons. Het bestaat voor tachtig tot negentig procent uit water. Het is heel erg slap en verraderlijk. Je zakt er zomaar helemaal in weg. Wanneer je het echter laat uitdrogen of het ontwatert, krimpt/klinkt het én het wordt steviger. Dan kun je er zelfs op lopen en gebruiken om er akkers of weiland voor het vee van te maken. Want veen bevat veel mineralen en is erg vruchtbaar. Gedroogd kun je veen als turf prima als brandstof gebruiken. Slim van onze middeleeuwse voorouders, toch ?

 Het ontwateren en ontginnen van het uitgestrekte veengebied begon in de 11 eeuw. De Oude Rijn, Meije en Drecht of in het veen aangelegde weteringen en kades vormden de ontginningbases die je nu nog in het landschap kunt herkennen. Ontginningen vonden plaats via een vast stramien. Loodrecht op de ontginningsbasis werden sloten gegraven in een groot aantal evenwijdige percelen, de zogenaamde cope verkaveling. Vandaar namen als Boskoop, en Nieuwkoop.  Bijzonder is dat voor de omvang en opdeling van het ontginningsgebied vaste afstandsmaten uit die tijd toegepast zijn. Dat houdt in dat de lengte van een ontginning meestal 1250 meter of een veelvoud daarvan is en de breedte van ieder te ontginnen perceel 103 meter. Dat heeft toen geleid tot een gelijkvormig en ons unieke veenweidenlandschap.

Door het ontwateren en de klink van het veen komt het veenoppervlak lager te liggen. En door het afgraven van de bovenlaag van het veen daalt dat oppervlak nog eens. Beide ingrepen van de mens in de natuur hebben tot gevolg dat het maaiveld van de gewonnen grond lager komt te liggen dan de waterspiegel in de Rijn. Dat maakt het nodig dat de landeigenaren en afspraken maken over maatregelen om te voorkomen dat men natte voeten krijgt.

 

 

 

 Paneel 3. Brandstof voor de Hollandse steden.
- grootschalige turfwinning vanaf de 16 eeuw

 

DSC09287.jpg

DSC09289.jpg

 

 

Na 1600 neemt de bevolking van steden als Amsterdam, Haarlem, Leiden en Gouda flink toe. En daarmee ook de bedrijvigheid. Deze steden hebben groeiende hoeveelheden brandstof nodig. Dat is in Holland met zijn turf opleverende veenbodem overal te vinden. Grote stukken land worden eerst boven het IJ zo diep mogelijk afgegraven, daarna is het de beurt aan de Rijn- en Veenstreek.
Aan veenmoerassen en rietlanden geven ze turfwinning als bestemming. In zo’n gebied moeten langwerpige stukken land beschikbaar blijven, de legakkers, voor het laten drogen en bewerken van de veenmodder.

Aanraders om de geschiedenis van de ontvening te bekijken zijn het:
Streekmuseum in Reewijk: http://www.streekmuseumreeuwijk.nl/
en het Poldeermseum, aan de Noordenseweg 23 in Nieuwkoop,

 

Paneel 4. De waterwolf verslagen
- drooglegging van de veenplassen in de achttiende eeuw.

 

De door massale turfwinning ontstane plassen vormen een toenemend probleem in de Rijn- en Veenstreek. Stormen leiden tot overstromingen, afkalving van oevers, schade aan huizen en soms geheel verdwijnen van gehuchten. Voor de voeding van de er nog wonende bevolking is te weinig landbouwgrond beschikbaar. Om beide problemen op te lossen wordt besloten tot het droogmaken van bijna alle plassen. De bodem van de plas wordt daarna geschikt gemaakt voor landbouw of veeteelt.  

Om de plas komt dan een wetering of afwateringskanaal waarbij de opgehaalde grond gebruikt wordt voor het aanleggen van een dijk. Daarna verschijnen er overal rijtjes windmolens met schepraderen en later vijzels. Die molens malen gezamenlijk de plas leeg. Een molengang is een rijtje molens, een gang, die samenwerken om trapsgewijs overtollig water uit een laaggelegen polder omhoog te malen en uiteindelijk in een rivier te spuien.

 

DSC03082.jpg

 

In Aarlanderveen werken vier molens samen: een viergang. Elke molen doet zijn deel van het werk en ‘tilt’ het water een stukje op, zo’n meter tot anderhalve meter. In totaal moet een hoogteverschil van meer dan vijf meter worden overbrugd. De Putmolen, die het diepst ligt, brengt het water omhoog met een vijzel, de andere doen dat met schepraderen. Via de laatste, de Bovenmolen, gaat het water de Oude Rijn in.

De Molenviergang Aarlanderveen is uniek. Het is de enige nog werkende molengang in de wereld. Het overtollige water vanuit de diepe polder van maar liefst 500 hectare aan de westzijde van Aarlanderveen wordt stukje bij beetje de Oude Rijn in gemalen. Daar komen alleen wieken en wind aan te pas én vier deskundige molenaars

Lees meer: https://molenviergangaarlanderveen.nl/

Paneel 5. De Rijn- en Veenstreek vandaag
- verstedelijk en mondialisering

Versie_2.jpg

Door het stijgen van de welvaart, het steeds goedkoper worden van vervoer en de ontwikkeling van de communicatietechnologie wordt de wereld kleiner en de steden voller. De alsmaar stijgende welvaart veroorzaakt ook spanning en drukte. Stadsbewoners zoeken al eeuwen de weidse groene polders, de plassen en de natuur om op verhaal te komen. Vroeger om de stank en vervuiling van de stad te onvluchten. Tegenwoordig voor de rust, sport voor en ontspanning. Het Hollandse polderlandschap en de natuur van de Rijn- & Veenstreek beginnen zich langzaam maar zeker als trekpleister voor onze eigen bewoners en die van Randstad te ontwikkelen.

 

Binnen in het carrousel. De otter, hét icoon van een gezonde natuur in de Rijn- en Veenstreek
- hoe onze Sien weer terug is in de veenweiden

Onze enkele jaren oude vrouwtjes otter werd in het weekend van 23 maart 2019 bij het oversteken van de  Ziendeweg van de Nieuwkoopse Zuideinderplas naar de Grote Wetering aan de overkant in Aarlanderveen doodgereden. De vinder raadpleegde 'otterspotter' Hans Blom. Door zijn inspanningen werd in overleg met terreinbeheerder Natuurmonumenten besloten het beest op te laten zetten en voor educatieve doelen beschikbaar te stellen aan IVN NIeuwkoop, IVN Alphen aan den Rijn en een prominente plaats te geven in onze nieuwe tentoonstelling. Tijdens de opening van ons centrum kreeg onze otter de naam Sien. Maar als Sien met IVN op reis is langs scholen, dan zie je haar houten broertje Ot in haar schuilplek in het carrousel.

doodgereden_Sien.jpg

 

Sien is met recht hét icoon van een gezonde Rijn- en Veenstreek. Toen er nog weinig aan de hand was met ons milieu leefden vooral langs de plassen en oeverzones in onze streek overal otters. . Zoveel, dat ze een plaag vormden voor de vissers. Op otters werd vooral bij wakken in de winter stevig gejaagd. Hun pels leverde goed geld op. Maar de otterstand ging niet alleen door jacht sterk achteruit. De otter is het grootste roofdier van onze streek en staat aan de top van de voedselpiramide. Hij is een indicator voor een gezonde natuur, zoals de waterkwaliteit. Als de otter terugkeert is dat een teken dat de natuurlijke keten weer op orde is. Door vervuiling van het oppervlaktewater en een opeenstapeling aan gifstoffen in allerlei in en aan het water levende prooidieren, verzwakte de stand. En tenslotte maakt het verkeer regelmatig slachtoffers, net als onze Sien. Ook zo'n 45 jaar geleden werd de laatste toen nog overgebleven otter in de Rijn en Veenstreek bij Woerdense Verlaat door het verkeer doodgereden.

 

 Schermafbeelding_2020-03-03_om_15.51.15.jpg

De otters die nu in onze streek voorkomen zijn afstammelingen van Oost-Europese otters die in 2002 in de Weerribben zijn uitgezet. Wanneer een leefgebied 'vol' is gaan ze s'nachts op zoek naar een ander leefgebied dat voedsel en beschutting biedt. Ze leggen in een nacht vele kilometers af. In 2013 duiken ze op in de Nieuwkoopse plassen. DNA onderzoek wijst uit dat ze afstammen van de eerder in Overijssel uitgezette soortgenoten. Nu wonen er weer een aardig aantal otters in onze omgeving. Een otter heeft zo’n 20 kilometer aan oeverlengte nodig om te kunnen jagen, te wandelen, te kunnen rusten en zich voort te kunnen planten. Oevers zijn heel erg belangrijk want otters leven grotendeels langs het water. Dat is lekker droog en kost ook minder energie. Ze gaan alleen het water in om te jagen en te spelen. Langzaam maar zeker komen ze ook onze kant uit. De Zegerplas voorziet ze van voldoende vis en in het moerasgebied van de Kromme Aar kunnen ze zich prima verschuilen.

De kans dat je een otter in de vrije natuur kunt spotten is miniem. Het zijn dieren die overdag slapen en vooral s'nachts op jacht gaan. Én ze zijn nog eens heel erg schuw ook.
Leuke otter filmpjes vind je op YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=QITtbIHAktY,    https://www.youtube.com/watch?v=FZaYvCRTbfU
Wil je 'in 't wild' een goed idee krijgen van het leefgebied van de otter, huur dan een kano of sloep bij:
Recreatieboerderij De Vooruitgang in Aarlanderveen: https://www.boerderijdevooruitgang.nl/kanoverhuur
Jachthaven Zoetwater in Nieuwkoop: https://www.zoet-water.com/op-t-water

Aan dit artkel wordt nog gewerkt.
stavaza: 09-03-2020